Jan van Loo

In 1858 maakte orgelmaker en wasdoekfabrikant JAN VAN LOO (1823-1910) te Zwolle een nieuw orgel; het eerste in deze kerk. Van Loo was een voormalig meesterknecht bij de bekende orgelmaker Petrus van Oeckelen te Glimmen (Gr.).
In oktober 1857 hadden de kerkvoogden contact opgenomen met de Zwolse orgelmaker J.C. Scheuer om een nieuw orgel te maken. Van Loo was sinds 1853 meesterknecht bij Scheuer. Na het overlijden van Scheuer Sr. in 1854 vertrokken de zonen Scheuer in 1859 naar Port Natal (Durban, Zuid Afrika) en namen ze in 1858 geen opdrachten meer aan. Van Loo zette de zaak voort en kreeg al gauw zijn eerste opdrachten, waaronder die van Blokzijl.

Frappant genoeg bouwde Van Loo orgels in een vroege Van Oeckelenstijl, een fraaie bouwwijze die nog goed te zien en te horen is in de Groningse Van Oeckelenorgels van Garmerwolde, Saaxumhuizen en Usquert. Dit waren orgels die Van Loo zelf als gezel bij Van Oeckelen samen met twee zonen van Van Oeckelen had gemaakt. Van Loo combineerde deze stijl met elementen van zijn tweede ‘baas’ Scheuer.

Van Oeckelen en Scheuer hadden over het orgelmaken zeer verschillende ideeën. Zij hebben elkaar als concurrenten vaak heftig bestreden. Van Loo heeft een aantal jaren tussen twee vuren ingezeten en ging zo zijn eigen weg en hield aan een voor zijn tijd klassieke manier van orgelmaker vast; in die zin dus juist wel méér ‘Scheuer’ dan ‘Van Oeckelen’! Zo maakte hij geen magazijn- maar spaanbalgen. Het lijkt er sterk op dat, vanwege de sterke banden met de Van Oeckelens, Van Loo zijn materialen deels van Van Oeckelen betrok. Gezien de makelij van het pijpwerk is het zeer waarschijnlijk dat dit kant en klaar uit Van Oeckelens werkplaats kwam en slechts nog in de kerk bijgeïntoneerd is. Evenals zijn leermeesters wenste Van Loo ook bij hout, leer en kopermateriaal goede kwaliteit. Met name het fraaie eiken wagenschot van windladen, balgen en houten pijpwerk is opvallend.

Van Loo’s zwager Francois Theodore de Vogel, een rijke rentenier die investeerde in een inmiddels bestaande wasdoekfabriek te Zwolle, was gehuwd met Christina Bernardina van Oeckelen, dochter van Petrus van Oeckelen. Jan van Loo huwde in 1863 te Groningen met Elizabeth van Oeckelen, een zuster van Christina. Van Loo raakte gaandeweg steeds meer betrokken bij dit bedrijf en verminderde geleidelijk aan zijn bezigheden als orgelmaker. Vanaf 1875 beëindigde hij zijn werkzaamheden als orgelmaker volledig en ging hij als wasdoekfabrikant verder. In 1910, een jaar na de dood van zijn echtgenote, stierf Jan van Loo op 87-jarige leeftijd in zijn woning aan de Van Karnebeekstraat 14 in Zwolle (destijds Deventerstraat geheten).

Kerkorgel

Het uitvoerige contract uit 1858 is nog bewaard gebleven en vormt een fraaie beschrijving van het instrument zoals het toen is gemaakt en tot in onze tijd slechts weinig is veranderd. De dispositie staat aan de achterzijde van deze beschrijving.
Het orgel werd ingewijd op eerste kerstdag 1858 en is bij die gelegenheid bespeeld door de keurmeester van het orgel, Eberhard Philip Seidel, architect, organist en orgeldeskundige uit Vollenhove. Seidel trad zelf ook wel op als onderhouds-orgelmaker in de zelfde regio.
Van 1816 tot 1873 was hij organist van de Grote Kerk te Vollenhove.

Het orgel in Blokzijl kostte f 1.400. De totale kosten (meerkosten waren o.a. het aanpassen van het orgelbalkon, schilderwerk, keuring en inwijding) waren f 1.605,85. Bij de inwijding werd rijkelijk genoten van wijn en veel lekkers.

Bekijk een video opname van een concert (door Jan Menger)

Restauraties 1931, 1950

In het slecht bewaarde kerkarchief staan slechts sporadisch gegevens over het orgel. Niet bekend is wie het onderhoud heeft gedaan.
In 1931 en 1950 is het orgel gerestaureerd danwel gerepareerd, respectievelijk door Leon Verschueren te Heythuysen en Johan Reil te Heerde. Was de reparatie van Reil van bescheiden omvang (hij plaatste o.a.een pneumatische tremulant bij en verving het rooster van de Vox Celeste in mahonie), de ingreep van Verschueren is toch het meest bepalend geweest.
Het orgel werd toen geheel gerestaureerd waarbij de volgende werkzaamheden werden uitgevoerd:

  • Windladerestauratie.
  • Vernieuwing van leer, koperdraad en walsarmen van het wellenbord.
  • Een geheel nieuw handklavier met raamwerk ingebouwd.
  • Op de plaats van de sinds de bouw in 1858 gereserveerde Bourdon 16 voet discant werd een Voix Celeste 8 voet vanaf c0 geplaatst (dus vanaf 4 voets toonhoogte)
  • Volledige herintonatie op een destijds moderne wijze met vrij veel en diepe kernsteken.
  • Het orgel werd opnieuw geschilderd, nu in donker eiken. Het lofwerk bleef wit met goudaccenten.

Restauratie 2012

De aanlooptijd van de huidige restauratie heeft lang geduurd. Al in 1998 werd Stef Tuinstra als adviseur aangezocht om de restauratie voor te bereiden. In 2000 werd het restauratierapport gemaakt. Het onderhoud berustte al een aantal jaren bij de fa. Bakker & Timmenga te Leeuwarden. In 2002 werd door hen reeds een kleine deelrestauratie verricht om nog op het orgel te kunnen spelen. Daarbij werden de oude windmachine vervangen, het pedaalklavier en de -mechaniek gerestaureerd en de windlade-ventielveren vervangen. De mogelijkheid tot het verkrijgen van restauratiesubsidie kwam pas in 2010 in het kader van het Stateninitiatief Jaar van het Religieus Erfgoed 2008 van de provincie Overijssel. De Stichting Behoud Kerkelijke Gebouwen Overijssel Flevoland (ing. Herman Bron) behartigde de subsidieprocedure grotendeels.

Doordat het orgel voorheen in desolate toestand verkeerde moest de restauratie wel intensief en tijdrovend zijn. Het werk betrof een algeheel herstel van alle onderdelen: orgelkast en de beschildering, windvoorziening, mechanieken en pijpwerk. Het restauratieplan beoogde een algeheel herstel naar de toestand van 1858 met behoud van enkele elementen uit latere tijd zoals een deel van het klavier en de Vox Celeste, beide van 1931, en de kleurstelling van 1982. Het klavier zelf bleef behouden, maar de omlijsting en de bakstukken werden hersteld in de stijl van Van Loo. De intonatiewijzigingen van 1931 werden deels gehandhaafd, deels naar het oorspronkelijke uitgangspunt van Van Loo teruggebracht (o.a. verwijdering van de freins bij de Viola di Gamba en het enigszins verkleinen van de diepe kernsteken van 1931). In plaats van de pneumatische tremulant (1950) van Reil werd een nieuwe inliggende tremulant aangebracht. Alle leer en koperdraad is vernieuwd en verdwenen onderdelen werden precies in stijl bijgemaakt.

De beelden zijn hersteld, vermolmde delen ervan vervangen. Alle oude electra in en bij het orgel is vervangen door nieuwe en nu nauwelijks zichtbaar aangelegd. De oude kleurstelling is niet opnieuw aangebracht omdat de kleurstelling van 1982 bij het herstel van de kerk in de afgelopen twee jaar ook is gehandhaafd. Wel is de kleur van 1982 vernieuwd en warmer van kleur gemaakt door een glacis, zodat het een meer antieke uitstraling heeft.

De vergulding van het lofwerk is ook vernieuwd. De frontpijpen waren oorspronkelijk niet van bladgoud voorzien; dit is in 2012 bij de restauratie aangebracht. De motor met dempkist en regulateur uit 2002 bleef in de balgkast. Het orgel kan nu ook weer als vanouds met handpompbediening zonder motor worden bespeeld.
De klank van het orgel was al fraai, maar is nu als een oud schilderij dat bij restauratie is ontdaan van het vergeelde vernis: de voorzichtig ‘opgefriste’ klank is evenwichtig en zangerig, vol en draagkrachtig en precies goed afgestemd op de kerkruimte. Het werk is uitgevoerd door de Koninklijke Orgelmakerij Bakker & Timmenga Orgelmakers BV te Leeuwarden. Het herstel van het lofwerk is verricht is door Tico Top uit Kruisweg (Gn.) en het schilderwerk door de fa. S. Roebers & Zn. (Dick Brandsma) te Vollenhove. De electra werd vernieuwd door Ziel Electratechniek te Blokzijl. Adviseur was Stef Tuinstra te Bedum. Financieel/procedureel advies door de SBKG-OF (Herman Bron). De totale kosten bedroegen ca. EUR 105.000.

Techniek

De verdeling van de registers zoals deze op de windlade staan (de dispositie) is sinds de bouw in 1858 slechts weinig veranderd.
De klavieromvang is C-f.
Het pedaal is aangehangen, omvang C – f0.
Het pijpwerk van orgelmetaal (1/3 tin, 2/3 lood).
Alle pijpwerk van 1858, m.u.v. de Vox Celeste (1931).
Geen expressions, geen baarden bij de open pijpen m.u.v. de strijkers.
1. Prestant 8 voet vanaf F. C-E eiken, binnen achter mid- Dentoren, gedekt. Frontpijpen Engels bloktin. Relatef bescheiden overlengte. F-c#1 in front, d1-f3 op lade.
2. Holpijp 8 voet C-H eiken, gedekt.
3. Viola di Gamba 8 voet V.a. c0. C-H gecombineerd met Holpijp 8 vt.
4. Octaaf 4 voet Metaal
5. Octaaf 2 voet Metaal
6. Fluit 4 voet Metaal, gedekt.
7. Voise Céleste 4 voet Is klinkend 8 voet v.a.c0.
Windlosser
Tremulant (inliggend) – 2012
Windvoorziening met twee spaanbalgen in aparte balgkast achter het orgel. Twee voettreden voor de balgtreder naast de klaviatuur (linkerzijkant vanuit de kerk).
Toonhoogte: a1 = 441,5 Hz. bij 17o C.
Stemming : evenredig zwevend
Winddruk : 65 mm. waterkolom

Financiering 2012

De uitvoering van de restauratie in 2012 werd mogelijk gemaakt door de Provincie Overijssel (afdeling Zorg en Cultuur) in het kader van het Stateninitiatief Jaar van het Religieus Erfgoed 2008 en de Verenigde Doopsgezinde Gemeente Blokzijl.